In Affligem woonde een boer wiens schuur niet groot genoeg was om zijn oogst in op te slaan. Bij valavond kwam de boer een heer tegen, aan wie hij zijn ziel verkocht in ruil voor een nieuwe schuur, die klaar zou zijn wanneer de haan ’s ochtends driemaal had gekraaid. Omdat de boer bang was, vertelde hij ’s nachts aan zijn vrouw wat hij had gedaan. De vrouw stond ’s nachts op en klapte in haar handen, waardoor de haan voortijdig begon te kraaien. De duivels moesten vloekend vertrekken. In de muur van de schuur was nog een gat. Die schuur werd ‘de Duivelsschuur’ genoemd.