|
‘n koet van ‘n siegarét
|
Een sigarettenpeuk. Is “koet” een verbastering van het Franse “le mégot” (de peuk)? |
Over sport, spel en vrijetijdsbesteding |
|
‘n liesj, e liesjken
|
Een lis, een lus, een lits, een lusje... om een jas aan op te hangen. Net als het Nederlandse “lus” en het Friese “luts” (tres) is “liesj” ontleend aan het Oudfrans “lice” dat ontstond uit het Latijnse “licia”, mv. van “licium” (= lus). (Uit V.D.E.W.) |
Over kleren, opsmukken en voorkomen |
|
‘n luuëten bèùs
|
Een loden buis. Eigenaardig is de t. Ook in “stontn” (stonden), “vontn” (vonden), “gezonte ménsjken” (gezonde mensen), “blonte kop” (blonde kop)... |
Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen |
|
‘n mei
|
Een mee = een oude vrouw, een dikke vrouw. Al is “e meiken” het verkleinwoord van “ ‘n mei” toch is ze onsympathiek. Wat te horen is in “e viês meiken”. “Mei” is ontstaan uit “meter” (doopmeter), dat een afleiding is bij het Latijnse “mater” (moeder). Grootmoeders waren en zijn vaak de meters van hun kleinkinderen. |
Over kleren, opsmukken en voorkomen |
|
‘n miesand émmen ien ‘t stal
|
Een mishand hebben in het (!) stal = een tegenslag hebben in de stal, bv. door sterfte of ziekte van het vee. V.D. vermeldt: “mishand (het; geen mv.), (gew.) hinder.” |
Landbouw: bodem: over vee, veevoeder, zuivelproducten en huisdieren |
|
‘n obliegoeëse
|
Een obligatie. In ‘t Frans “une obligation” (een obligatie). |
Over geld, zakendoen, geluk hebben, armoe en rijkdom |
|
‘n Oesjlenbérg
|
De Hutselenberg. Oorsprong van deze naam? |
Over alles en nog wat: de naam van straten, gehuchten, velden, bossen, kouters... |
|
‘n Oêzenbroek
|
De Hoezenbroek. “Oeëzen” doen denken aan hazen. Broek is een laaggelegen gebied. De Hoezenbroek is het moerassig gebied langsheen de Hoezenbroekbeek waar nogal wat hazen voorkwamen. Popp schrijft op zijn kadasterplan “Hoeyzenbroek”. Maar in ‘t Gooiks is het niet “Oeëzenbroek” maar “Oêzenbroek” met de oe van “boer”... |
Over alles en nog wat: de naam van straten, gehuchten, velden, bossen, kouters... |
|
‘n ordonnans
|
Een ordonnantie = een doktersvoorschrift. In ‘t Frans “une ordonnance” (een doktersrecept). V.D. vermeldt “ordonnantie” maar niet in de betekenis van doktersvoorschrift. |
Over ziekte, pijn, gebrek, verzorging en genezing |
|
‘n pachtés
|
Een pachteres, een pachtersvrouw. V.D. noemt “pachteres” Zuid- Nederlands. |
Landbouw: bodem: aard, uitzicht, verdeling |
|
‘n plamoster
|
Een plamoster = een oorveeg; ook: iets groots in zijn soort. Bv.: “ ‘n plamoster van nen oêd”. |
Van schuld en boete |
|
‘n platiene
|
|
Over (te veel) eten en drinken |
|
‘n plék
|
Een plek = een vlek. Bv. “ ‘n vatjplék” (een vetvlek). Ook: een plaats. Bv. “e koês pléksken” (een verborgen plaatsje). |
Over alles en nog wat: ditjes en datjes... |
|
‘n poelje
|
Een poel = een jonge kip. Volgens Weynen ontleend aan het Franse “une poule” (kip), dat teruggaat op het Latijnse “pulla” (kip). Ook de vrouwelijke fazant heet in Gooik “ ‘n poelje”. |
Landbouw: bodem: over vee, veevoeder, zuivelproducten en huisdieren |
|
‘n râ
|
Een rei = een rechte lat of smalle plank om de juiste richting van muren of balken te bepalen, om te zien of ze recht zijn. |
Over werken en... nietsdoen |
|
‘n sietérn, ‘n sietèèr
|
Een regenwaterput. Uit het Mnl. “cisterne”, dat ontleend is aan het Latijnse “cisterna”, wat zelf komt uit “cista” (koffer). In het Frans “une citerne” (een regenwaterput) |
Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen |
|
‘n sjiek toebak
|
Een chique tabak = een tabakspruim. |
Over (te veel) eten en drinken |
|
‘n skétterbélle, ‘n skétterés
|
Een schetterbel, een schetteres = een schreeuwer, schreeuwster, schreeuwlelijk. |
Over spreken en zwijgen, over klagen en bluffen |
|
‘n slôpmoesj
|
Een slaapmuts = een glaasje jenever, likeur of andere alcoholische drank voor het slapengaan. |
Over (te veel) eten en drinken |
|
‘n slôprat
|
Een slaaprat = een slaapmuis. (V.D. vermeldt slaaprat niet). Slaapmuis is de naam van een familie van op eekhoorns gelijkende knaagdieren, waartoe o.a. behoren de relmuis of zevenslaper, de hazelmuis of eikelmuis. Hun naam verwijst ernaar dat ze een winterslaap houden in een of andere boomholte. |
Over dieren van bij ons: zoogdieren in het wild |
|
‘n smacht volk
|
Een smacht volk = een massa volk. Marcel de Schrijver in “Eie ma vast?”: “smakse = grote hoeveelheid. Vermoedelijk van smak. Bv.: doeë was ‘n smakse volk: daar was veel volk.” V.D.: “smak: 7. grote menigte of hoeveelheid.” Blijft de vraag: komt smacht uit smak of omgekeerd? |
Over het weer, de seizoenen, de tijd, de levensloop, de afstand |
|
‘n snerkende zjieë
|
Een snorkende zeer = een schrijnende, een striemende, een snerpende pijn. V.D. schrijft “snerken 3. (onoverg.), (gew.) schrijnen.”. |
Over ziekte, pijn, gebrek, verzorging en genezing |
|
‘n sniebe lèèr, stof, papiê...
|
Een snip leer, stof, papier...= een snipper leer, stof, papier..., een afgesneden, afgeknipt of afgescheurd stukje daarvan. |
Over alles en nog wat: wat vaktermen (niet-landbouw)… |
|
‘n soeme géldj
|
Een som geld. Van het Franse “la somme” (som, totaal). V.D.E.W.: “...van het Latijnse “summa” (hoogste plaats, voorrang, som van een optelling, totaal), eigenlijk het vrouwelijk van “summus” (hoogste, bovenste, grootste); vroeger werd van onder naar boven geteld. |
Over geld, zakendoen, geluk hebben, armoe en rijkdom |
|
‘n speloenk
|
Een spelonk = een kleine, moeilijk te bereiken bergruimte in de kelder of op de zolder. |
Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen |