Over ons
Image
Image
Image
Image
Image
Image
Image
Image

Woorden en uitdrukkingen

Woord Uitleg Categorie
‘n sponjske ôg

Een Spaanse haag = haag van liguster. Maar elders wordt met Spaanse haag de venijnboom of booghoutboom (Taxus buccata) bedoeld.

Over al wat groeit: bomen, struiken, vruchten, houtbewerking
‘n tablét sjokelat

Een tablet chocolade = een plak chocolade. Van het Franse “une tablette” (een plak).

Over (te veel) eten en drinken
‘n tâl

Een teil, een aarden kom voor huishoudelijk gebruik: voor de room, de kaan, de paasvlaai... Ontleend aan het Latijnse “tegula” (tegel). Ze herinnert aan de tijd dat men niet van afzonderlijke borden maar uit een gemeenschappelijke teil of schotel at. (Weynen).

Over (te veel) eten en drinken
‘n tèèken, nen tèè

Een hondje, een hond (kindertaal). Volgens Weynen is een hond in het dialect van Den Helder “aik”. Dat zou afgeleid zijn van het Engelse “tike, tyke” (hond) dat ontstond t.g.v. de Engelse verbinding “that tike”.

Landbouw: bodem: over vee, veevoeder, zuivelproducten en huisdieren
‘n tèèluuës

Een tijloos = een narcis. Uitleg uit V.D.E.W.: “...gaat terug op het Middelnederlandse “tidelose, titelose” en was dan de naam van verschillende bloemen. Ze werd zo genoemd vanwege het bloeien buiten de gebruikelijke tijd.”

Over al wat groeit: onkruid, wilde planten en sierplanten
‘n témperken,

Een temper(ke) maken = saus aandikken met maïzena of aardappelbloem.

Over (te veel) eten en drinken
‘n tèùt zonder goeërn

Een tuit zonder garen = een klos zonder garen. Met zo’n lege “tèùt”, een elastiekje en enkele lucifers maakten we als kind een “tank”. Als je de “wieltjes” kartelde, reed de tank nog beter.

Over sport, spel en vrijetijdsbesteding
‘n tiepeken

Een typetje = een mannetje, een heertje. V.D. noemt “tip” in deze betekenis Bargoens. ‘t Zou natuurlijk ook “typetje” kunnen zijn. V.D. citeert: “type...3. persoon met betrekking tot zijn grondvorm, zijn algemeen voorkomen.” Bv.: “ ‘n èùtgebesseld tiepeken” Ook in een vroeger algemeen verspreid lied: “Mijne vrijer is een typeken. Hij heeft een fraksken met een slippeken. ”

Over kleren, opsmukken en voorkomen
‘n tiesjken

Een titske = een beetje. Verband met het Franse “une tige” (een stengel) of vervorming van “petit” (klein)? Andere betekenis : kindertaal voor penis. Tiesjken is ook een verkleiningsvorm van de voornaam Jan-Baptist.

Over (te veel) eten en drinken
‘n tomat

Een tomaat = een tomaat; ook: een haarwrong bovenop het hoofd.

Over kleren, opsmukken en voorkomen
‘n trawieël, ‘n trawieltjn

Een truweel, een truweeltje = een troffel, een troffeltje, een metselaarsschep(je). Van het Oudfranse “truelle”, dat teruggaat op het Laatlatijnse “truella”, dat het verkleinwoord is van het Latijnse “trua” (pollepel).

Over werken en... nietsdoen
‘n treize, ‘n treizeken, ‘n treizebeis

Een treze, een trezeken, een trezebezie = een sullig meisje, een doetje. Van Thérèse, Trees.

Over verstand en gebrek daaraan
‘n trékpjèèd

Een trekpaard = een stevig gebouwd persoon, iemand die het werk niet schuwt, een ijverig werker.

Over werken en... nietsdoen
‘n triêne, ‘n zeimeltriêne, ‘n zjieëptriêne

Een trien, een zemeltrien, een zeeptrien = een sullige vrouw, een doetje. Uit Katrien. Die “zemel” en die “zeep” versterken het woord.

Over goede en slechte manieren
‘n troefelskiep

Een troffelschop = een zandschop die vooral gebezigd wordt voor het opscheppen van zand, kolen, aarde...

Landbouw: bodem: landbouwgerief en -werktuigen
‘n tuuëverés

Een toveres = een tovenares, heks, zonderlinge vrouw. V.D. noemt “toveres” Zuid-Nederlands.

Over alles en nog wat: volksgeloof...
‘n tuut, ‘n tét, ‘n tuuteken,

Een fopspeen, een fopspeentje. Is verwant met het Nederlandse “ti(e)t” en ‘n tétteken:

Over (te veel) eten en drinken
‘n uirlog

De oorlog. Je hoort in Gooik ook wel “ ‘n ourlog”. Er zijn nog Gooikse woorden waarin de oo van het A.N. klinkt als ui. Bv.: “dui” (door), “vui” (voor), “de muiln” (de molen), “d’uiverèèd” (de overheid), “d’Uikerâ” (de Uydekrij, Gooikse straatnaam, vervorming van de Ok(k)erheide).

Over goede en slechte manieren
‘n uumeken

Een hemdeke = een onderhemd.

Over kleren, opsmukken en voorkomen
‘n vallienk émmen

Een valling hebben = een verkoudheid hebben. V.D.E.W. schrijft voor valling: “verkoudheid; hetzelfde woord als het Mnl. vallinge (= het vallen), dus eig. het vallen van kwade vochten op een lichaamsdeel.”

Over ziekte, pijn, gebrek, verzorging en genezing
‘n viesj

Een bunzing (Mustela putorius), een visse, fits of stinkmarter. Van de steenmarter (Martes foina) of de huismarter of fluwijn is mij geen Gooiks dialectwoord bekend.

Over dieren van bij ons: zoogdieren in het wild
‘n voenk va nen nuis

Een vonk van een neus = een kanjer van een neus.

Over kleren, opsmukken en voorkomen
‘n volle, e volleke zoeën

Een volle, een volleken zaaien = een rij, een rijtje zaaien. Ook de voor, het voortje gemaakt door de egtand en waarin gezaaid wordt, heet een volle. Oorsprong?

Landbouw: bodem: aard, uitzicht, verdeling
‘n vosse

Een hoogblonde vrouw of meisje.

Over kleren, opsmukken en voorkomen
‘n zattebezze

Een zattebeurs = een dronkaard.

Over (te veel) eten en drinken

Please publish modules in offcanvas position.