Over ons
Image
Image
Image
Image
Image
Image
Image
Image

Woorden en uitdrukkingen

Woord Uitleg Categorie
‘t bèèl

Het (!) bijl = de bijl.

Over al wat groeit: bomen, struiken, vruchten, houtbewerking
‘t bèèl, ‘n bèèl

Het (!) bijl, een bijl = een L-vormig perceel.

Landbouw: bodem: aard, uitzicht, verdeling
‘t bieëtkrèùd, ‘t krèùd

Het beetkruid = het bietenloof.

Over al wat groeit: andere veldvruchten
‘t bieëtzoeëd

Het beetzaad. Vroeger kweekten de boeren hun bietenzaad zelf in de tuin. Later kochten ze kwaliteitszaad in gespecialiseerde zaadhandels.

Over al wat groeit: andere veldvruchten
‘t Blokvéldj

Het Blokveld, benaming van de velden en weiden achter het hof ter Blokken, tussen Terlo- en Paddenbroekstraat.

Over alles en nog wat: de naam van straten, gehuchten, velden, bossen, kouters...
‘t boenjer

Het bunder. Landmaat die in Gooik overeenstemt met 1 hectare. Volgens De Vries bestonden in de Middeleeuwen de vormen “boenre, buunre” die waarschijnlijk komen uit het Oudfrans “bonnier” of uit het Middellatijn “bonnarium” (akkermaat) dat vermoedelijk is afgeleid van het Gallisch “bunna, bunda” (grond, bodem).

Landbouw: bodem: aard, uitzicht, verdeling
‘t boljegat

Het baliegat = de poortopening in de omheining. “Gat” heeft dezelfde betekenis van “opening, toegang” in “losgat” (toegang tot veldweg), “ofgat” (toegang tot boerderij).

Landbouw: bodem: aard, uitzicht, verdeling
‘t boltjn

Het booltje, het klein bool = het rondhout, 30 - 40 cm lang, dat meestal als brandhout dient. Zie: bool. Bv.: nen dieken ték ien boltjes zôgen = een dikke tak in rondhouten zagen.

Over al wat groeit: bomen, struiken, vruchten, houtbewerking
‘t brieëdbèèl

Het (!) breedbijl = de bijl met korte steel en een uitsparing aan één zijde van het blad om het gewicht van de bijl te verminderen. Met de breedbijl werd de boomstam eerst ontdaan van takken en schors.

Over al wat groeit: bomen, struiken, vruchten, houtbewerking
‘t Brieëdvéldj

‘t Breedveld, benaming van de kouter tussen Breedveldstraat, Zwartschaap en Steenberg. Popp (+/-1850) vermeldt Bree-Veld.

Over alles en nog wat: de naam van straten, gehuchten, velden, bossen, kouters...
‘t déltjgat, ‘t gat van ‘n déltj

Het diltegat, het gat van de dilte = het gat van de hooischelf, het hooiluik, de opening in de bodem van de hooizolder boven de stal langswaar men hooi bovensteekt of benedenwerpt.

Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen
‘t duuëdèùzeken

Het doodhuizeken = het lijkhuis, het huisje op het kerkhof waar men tijdelijk lijken bewaart of waar ze geschouwd worden. In Gooik was er tot voor kort een “duuëdèùzeken” op het kerkhof in de Kerkhofstraat. Vroeger, tot het einde van de jaren vijftig, was het“duuëdèùzeken” in de bijgebouwen voor het gemeentehuis in de Koekoekstraat. Daar werd de gemeentelijke “korbiêjaar” (lijkwagen) ondergebracht. Rond 1970 werden die gebouwen afgebroken.

Over sterven en begraven
‘t Emmeken

Het Hammeken, het Hemdeken? Veldnaam aan de grens tussen Lennik en Gooik aan de Prof. Fr. Heymansstraat, rijdend naar Halle, links van de weg even voorbij de Hallebaan. Hemdeken is weinig waarschijnlijk want een hemdeken is in ‘t Gooiks “ ‘n uumeken”. Hammeken (hespje) zou kunnen vanwege de vorm van het veld of omdat het als zwart goed voor de prijs van een ham werd gekocht. Maar dat zou volgens de Gooikse klankwetten “ ‘t ammeken” moeten heten. Misschien zit het oude woord “hamme, hemme” (inham, bocht, kromming) hierin. De weg naar Halle maakt daar inderdaad nogal wat bochten.

Over alles en nog wat: de naam van straten, gehuchten, velden, bossen, kouters...
‘t esken

Het huizeken = het toilet, de wc, het secreet. “Esken” is een voorbeeld van een verkleinwoord dat niet noodzakelijk iets kleins noemt. Het gewone verkleinwoord van “èùs” (huis) is “èùzeken” (huisje).

Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen
‘t èùsaagen, ‘t èùsaaven

Het huishouden = het gezin.

Over werken en... nietsdoen
‘t fernâs van ‘n ouven

Het fornuis van de oven = de ovenkelder, het ashok: de bewaarplaats voor as onder de bakoven in het bakhuis.

Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen
‘t fernèèn

Het venijn = de bladluizen; ook: scheldwoord voor kwaadsprekers of - spreeksters. Volgens V.D.E.W. afkomstig van het Franse “le venin” (het gif, de laster) dat zelf komt van het Latijnse “venenum” (sap, drank, toverdrank, vergif, verderf); de oorspronkelijke betekenis was “liefdesdrank” en het woord is verwant met “venus” (genot, liefde).

Over dieren van bij ons: insecten, spinnen en ander klein gedierte
‘t gebonte van ‘t dak

Het gebint van het dak, het samenstel van balken dat het dak draagt.

Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen
‘t gelèèg, ien ze gelèèg

Het geleeg, in zijn geleeg = de boerderij met al het land dat erbij hoort, huis en erf, winning. Volgens V.D. van het Mnl. geliggen (gelegen zijn) en gew.

Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen
‘t goeë mâ niê af vandôg

‘t gaat me niet af vandaag = ik voel me vandaag niet goed in mijn vel, ik ben wat ziekjes.

Over ziekte, pijn, gebrek, verzorging en genezing
‘t goevérnemént

De regering. Van het Franse “le gouvernement” (het bestuur, de regering).

Over alles en nog wat: ditjes en datjes...
‘t jésgat

Het aarsgat, eerstgat = de wortelstronk. V.D. vermeldt “aarsgat: 1. het gat van de aars 2. (Zuidn.) ondereind van een gevelde boom.” Bv.: “e jésgat èùtwérken” = een wortelstronk uitwerken, uit de grond hakken.

Over al wat groeit: bomen, struiken, vruchten, houtbewerking
‘t kamt zâ ‘n dieken én a lâ onder

‘t kampt, zei de dikke en hij lag onder. Spottende uitspraak als iemand zegt dat de kansen gelijk staan, terwijl hij eigenlijk al aan ’t verliezen is.

Over kwade buien en karaktertrekken
‘t kéljerbakkes

Het kelderbakkes = de schuine wand boven de keldertrap in sommige oude boerenhuizen. Daar was meestal een “ank” of een stenen richel waar de fles met wijwater of met jenever binnen handbereik stond. In die oude boerenhuizen was de kelder maar 3-4 treden diep. Boven de kelder was de voutkamer (kômerken, vaatkômerken). Dat kamertje was zo laag dat een volwassene er amper rechtop kon staan. Misschien deed die gapende keldermond de mensen denken aan een “bakkes”.

Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen
‘t kétsmét

Het kertsmert = vervelende huidaandoening in de aarsspleet, tussen de borsten of tussen de tenen ontstaan door wrijving, schuring of verhitting. De samenstelling “kétsmét” is ontstaan uit “kert” (= kerf, keep, snee) en “smert” (smart, ongemak). In beide woorden is de r verdwenen. Dat verschijnsel merken we ook in “ét” (hart), “éd” (hard), “bést” (barst), “wettel” (wortel), “spétteln” (spartelen), “sout” (soort), “woud” (woord)...

Over ziekte, pijn, gebrek, verzorging en genezing

Please publish modules in offcanvas position.