|
‘t kodieël
|
Het kordeel = de streng van garen, het leitouw. In het Mnl. was het “cordeel, cardeel”. Van het Franse “la cordelle” (treklijn), verkleiningsvorm van “la corde”. |
Landbouw: bodem: over paardentuig en -commando’s |
|
‘t konsèèr, konsèèr speiln
|
Het toneel, toneelspelen. Van het Franse “le concert” (de muziekuitvoering). Ook gehoord: “ ‘t Es konseir” in de betekenis van “hij of zij weent.” |
Over sport, spel en vrijetijdsbesteding |
|
‘t kosjte moê nog kommen
|
‘t kwaadste moet nog komen = het ergste moet nog komen. |
Over werken en... nietsdoen |
|
‘t koul émmen
|
Het kool hebben = tussenklauwontsteking hebben. Door binnendringen van scherpe voorwerpen tussen de klauwen van een koe kunnen wondjes ontstaan die besmet geraken. Er ontstaat een pijnlijke zwelling waardoor de klauwen van elkaar gewrongen worden. De hoefsmid zal de klauwen versnijden. Soms werd de “koolpoot” ingesmeerd met een zwart, teerachtig produkt. |
Landbouw: bodem: over vee, veevoeder, zuivelproducten en huisdieren |
|
‘t kuiniengsuuëd
|
Het koningshoofd = prolaps van de schede van een rund. Zie ook bij “lèèf”. |
Landbouw: bodem: over vee, veevoeder, zuivelproducten en huisdieren |
|
‘t labuirsel, ‘t labuirland
|
Het omgeploegde veld, de riemen. |
Landbouw: bodem: aard, uitzicht, verdeling |
|
‘t losgat
|
De plaats waar de losweg aansluit op de openbare weg. Vergelijk met het Engelse “gate” (poort). “Kestergat” is de toegangspoort tot Kester. |
Landbouw: bodem: aard, uitzicht, verdeling |
|
‘t Luuëvéldj
|
‘t Loveld, benaming van de kouter begrensd door Molenbeek, Terlostraat, Blokstraat en Hoezenbroekbeek. Tussen Blok- en Loveldstraat ligt het Groot Loveld. Tussen Loveldstraat en Hoezenbroekbeek ligt het Klein Loveld. De Loveldstraat kreeg haar naam terecht want ze ligt in de Loveldkouter. |
Over alles en nog wat: de naam van straten, gehuchten, velden, bossen, kouters... |
|
‘t mannelék
|
Het mannelijk = het mannelijk lid, de penis. V.D. heeft het over de “mannelijkheid” in dezelfde betekenis. |
Over kleren, opsmukken en voorkomen |
|
‘t Mesjiêken
|
‘t Monsieurken? In het gemeentehuis van Oetingen was er eertijds een plaatsje voorzien om vechters, dronkaards en baldadigen op te sluiten tot ze tot bedaren kwamen. In de volksmond heette dat kamertje “ ‘t Mesjiêken”. Het gebeurde ooit dat de veldwachter om de een of andere reden de “Wuute van den bérg” in de amigo opsloot. Maar die ontsnapte prompt dwars door de (vermolmde?) muur heen!... |
Over alles en nog wat: de benaming van oude Gooikse hoeven en huizen |
|
‘t mésvatj betoeëln
|
Het mestvet betalen = vergoeding door de nieuwe huurder te betalen bij het begin van een nieuw huurcontract aan de vroegere huurder. |
Landbouw: bodem: landbouwbezigheden |
|
‘t meziêk va Lérrebeik (Erfliengen) spéltj da bouven... zégge ze oeën den tuuëg
|
‘t muziek van Leerbeek (Herfelingen) speelt dat boven ... zeggen ze aan de toog = dat is een kleine moeite, dat werkje gaat vanzelf, dus erg makkelijk. Deze uitspraak hoorde ik n.a.v. het optillen van een zware last door enkele sterke kerels. “ ‘t Meziêk” is hier de fanfare. In ‘t Gooiks is muziek onzijdig: “ ‘t meziêk goeët èùt” = de fanfare of de harmonie stapt spelend door de straten. |
Over werken en... nietsdoen |
|
‘t moeljebéd
|
Het moelieberd = de plank van de baktrog. Met die plank werd de baktrog na gebruik dichtgelegd tegen stof, insecten... Ze werd ook gebruikt om de bakblikken op te zetten en dan het gerezen deeg of de taarten naar de oven te dragen. Als het brood dan na de baktijd uit de oven werd gehaald, kon men het op deze plank laten afkoelen. |
Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen |
|
‘t moêzegat
|
Het mozegat = het afvoergat in de buitenmuur voor het wegvoeren van het vuile water. Weynen schrijft daarover dat in sommige dialecten “moos” of “moons” de bijkeuken is. Dat gaat terug op het Zuid- Nederlandse “moze”, het Frans-Vlaamse “moeze”, het Limburgs “moos”, wat betekent “slijk, vuiligheid.” Betekenisontwikkeling: van “slijk” tot “plaats waar de vuiligheid langs gaat”, tot “bijkeuken”. Daar werd nl. afgewassen. |
Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen |
|
‘t Nattevéldj
|
Het Natteveld. Benaming van een hoeve in de Goteringenstraat uitgebaat door de familie Everaet. |
Over alles en nog wat: de naam van straten, gehuchten, velden, bossen, kouters... |
|
‘t nuût joeër
|
Het nieuwe jaar. Voor onzijdige zelfstandige naamwoorden hoor je “nuût”. Anders: “nuû”, “nuuë”,“nuuën”. Bv. “ ‘n nuû flés” (een nieuwe fles), “den nuuën boeës” (de nieuwe baas), “den nuuë man” (de nieuwe man), “nuû skoênn” (nieuwe schoenen). Is de t van “nuût” dezelfde klank als in “ouped” (open), “mérged” (morgen), “stuuked” (aan stukken)...? |
Over het weer, de seizoenen, de tijd, de levensloop, de afstand |
|
‘t oeërèèzer
|
Het haarijzer, het haarspit = aambeeldvormig gereedschap om daarop pikken en zeisen te haren. |
Landbouw: bodem: landbouwgerief en -werktuigen |
|
‘t oeëvéldj
|
Het aambeeld. Verwant met het Engelse “the anvil” (het aambeeld). |
Landbouw: bodem: landbouwgerief en -werktuigen |
|
‘t Oejken
|
Het Hoedeken: plaatsnaam rond het kruispunt van de Mgr. Abbeloos- en de Kerkhofstraat. Doen de vorm en de hoogte van het terrein (waar het oud scoutslokaal staat) denken aan een hoed? Of is er een andere verklaring? |
Over alles en nog wat: de naam van straten, gehuchten, velden, bossen, kouters... |
|
‘t of
|
Het hof = de grote boerderij, de hoeve. Meervoud van “ ‘t of” is “d’uiven”. |
Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen |
|
‘t onnekot
|
Het hondenkot = het hondenhok. |
Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen |
|
‘t ontjn van de kérre
|
Het haantje van de kar = de trekhaak (aan beweegbaar balkje met ijzeren beugeltje op) waar het zwenghout aan wordt vastgemaakt om de driewielkar voort te trekken; een onderdeel van de molen van de driewielkar. |
Landbouw: bodem: landbouwgerief en -werktuigen |
|
‘t Pajotteland
|
‘t Pajottenland. Naam van de Vlaams-Brabantse streek ten westen van Brussel (streek waar Gooik zich “de parel” van noemt), gekenmerkt door veel landbouw, golvend landschap en afwezigheid van steden. Er bestaat nogal wat onenigheid omtrent de begrenzing ervan. Het “echte” Pajottenland zit ingesloten tussen Zenne en Dender, de weg Aalst- Brussel en de taalgrens. Maar de laatste jaren willen sommigen om allerlei redenen de streek verruimen van Anderlecht tot Geraardsbergen, van Edingen tot Merchtem. Daarover wordt nog altijd gepennetwist.
Nog meer inkt vloeide om de naam Pajottenland te verklaren. Zeker is dat Frans-Jozef De Gronckel, Lenniks advocaat, zo’n 150 jaar geleden de naam als eerste gebruikte in zijn boek “ ‘t Pajottenland zooals het van onheuglyke tyden gestaen en geleghen is”. Hij vond de naam Pajot waarschijnlijk in teksten van liederen die ontstonden n.a.v. de Brabantse Omwenteling van 1789. Het basiswoord was “pagnot” (met varianten: paignot, panjot, payot, paiiot), wat betekende: soldaat van het Oostenrijks leger of Zuid-Nederlands huursoldaat in datzelfde Oostenrijks leger. In beide gevallen was het een verfoeilijk persoon, tegen wie de patriotten ten strijde trokken. “Pagnot” is het Oudfranse “pagnot”, wat betekende: man zonder moed, zonder wilskracht. Dat Oudfranse “pagnot” zou komen van het Italiaanse “pagnota”, het rond brood dat bij het dagelijks rantsoen van de huursoldaat hoorde. Er is dus een groot betekenisverschil tussen de “payot” uit de oude liedteksten en de “payot” van De Gronckel.
Andere verklaringen die in de loop van de jaren aan de naam Pajottenland werden gegeven: van het Franse “payer” (betalen): land van huursoldaten; van het Franse “paille” (stro): land van hutten met strooien daken; van het Waalse “paillou” (muur van leem en stro): land van lemen huizen; van het Spaanse “payo” (boer, lomperik): land van boeren en lomperiken; van het dialectwoord “patj” of “pei” (kerel, vent): land van de kerels... In het Nederlands-Frans Woordenboek van Des Roches (+/- 1830) vond ik het woord “payot” als vertaling voor “boers, lomp”, twee woorden waarmee Brusselaars en andere stedelingen buitenmensen en boeren plachten (plegen) te typeren. Het zou wel eens kunnen dat De Gronckel - denkend aan de Geuzen - dat verwijt “payot” als een eretitel ging beschouwen en daarom van het “Pajottenland” sprak. Wie meer wil weten over de naam Pajottenland, leze de inleiding van Piet Borremans in de heruitgave van het boek van De Gronckel door de Lennikse Andreas-Masiuskring in 1987.
Na de verschijning van De Gronckels boek (1852) kende de naam Pajottenland een sluimerend bestaan. De gewone man of vrouw wisten nauwelijks dat de naam bestond. Het is pas in het begin van de jaren ‘70 dat dat veranderde. Toen spanden de verenigde natuurvrienden van hier samen tegen de overheidsplannen om de A8-autoweg en een spoorlijn dwars door het Pajottenland te trekken. Sindsdien werden de mensen hier bewuster van de schoonheid en de waarde van hun streek. Het verzamelde verzet haalde zijn slag thuis om het Pajottenland te redden uit de handen van de planologen. Pajottenland werd hier en elders synoniem van traditie, degelijkheid, echtheid. Begrippen waarmee zakenlui en middenstanders graag geassocieerd worden. Ten bewijze daarvan het grote aantal slagerijen, cafés en andere bedrijven die Pajot of Pajottenland als (deel van hun) naam kozen... |
Over alles en nog wat: de Gooikse naam van de streek, van dorpen en steden uit de omgeving en verder |
|
‘t petattekrèùd, ‘t krèùd
|
Het petattenkruid = het aardappelloof. |
Over al wat groeit: andere veldvruchten |
|
‘t petattemasjiem, petattemasjien
|
Het (!) patattenmachine = de aardappelrooier, machine die aardappelen rooit. |
Landbouw: bodem: landbouwgerief en -werktuigen |