|
‘t plasoên, ‘t plansoên
|
Het plantsoen = de pootaardappelen. V.D. vermeldt plantsoen in de betekenis van jonge heesters en bomen. Volgens Weynen gaat “plasoên” terug op dit Nederlandse “plantsoen” dat ontleend is aan het Franse “plançon” (stek, poot) dat zelf een afleiding is bij het Latijnse “planta” (plant). |
Over al wat groeit: andere veldvruchten |
|
‘t Plosj, de Plosjbérg
|
Het (!) Plaats, de Plaatsberg = het dorpsplein, de kerkberg, de helling voor de St.-Niklaaskerk. “Plaats” kan komen van het Franse “la place” (plein). |
Over alles en nog wat: de naam van straten, gehuchten, velden, bossen, kouters... |
|
‘t rôpzoeëd
|
Het raapzaad. |
Over al wat groeit: andere veldvruchten |
|
‘t skèèt émmen
|
Het schijt hebben = diarree hebben. |
Over ziekte, pijn, gebrek, verzorging en genezing |
|
‘t skerft
|
Het schurft. |
Landbouw: bodem: over vee, veevoeder, zuivelproducten en huisdieren |
|
‘t Skoljnof
|
Het Schaliënhof, grote hoeve in de Kroonstraat niet ver van de watermolen van Terhagen. Op het plan Popp (+/- 1850) heet die hoeve “Hof van Terhagen”. De dakbedekking in schaliën was uitzonderlijk voor een hoeve in die tijd. Dat feit bezorgde de hoeve haar naam. Laatste uitbater de familie Smet. Nu verkocht en verbouwd. Op deze plek werd op het eind van de eerste wereldoorlog Blink, een inbreker uit het Ninoofse, doodgeschoten. |
Over alles en nog wat: de benaming van oude Gooikse hoeven en huizen |
|
‘t skuûpoetjn
|
Het schuurpoortje = het schuurpoortdeurtje, het kleine deurtje in een van beide vleugeldeuren langs waar personen in de schuur gaan. |
Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen |
|
‘t skuûpuuët
|
Het (!) schuurpoort, de grote deur bestaande uit twee vleugels die toegang geeft tot de schuur. |
Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen |
|
‘t skuûvloêr
|
Het (!) schuurvloer = de vloer van de schuur waarop het graan met de vlegels gedorst werd, de dorsvloer. We zeggen “ ‘t skuû” en dus ook “ ‘t skuûvloêr”. |
Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen |
|
‘t smiesj
|
Het (!) smidse = de smidse. |
Over werken en... nietsdoen |
|
‘t smotjn
|
Het smoutje = het gesmolten vet dat na het braden van het spek in de pan achterblijft, braadvet van het spek. |
Over (te veel) eten en drinken |
|
‘t Stèùvenbérg
|
Het (!) Stuivenberg. “Berg” is het Gooikse woord voor heuvel. |
Over alles en nog wat: de naam van straten, gehuchten, velden, bossen, kouters... |
|
‘t Stieënèùs
|
Het Steenhuis. Veldnaam op de Lombergkouter die ook “op den bos” heet. Mogelijk verwijst “Stieënèùs” naar de Gallo-Romeinse villa die hier ooit gestaan heeft. Rond 1980 zijn er zelfs opgravingen gebeurd naar die villa en bouwresten gevonden. |
Over alles en nog wat: de naam van straten, gehuchten, velden, bossen, kouters... |
|
‘t Stjèèt va Guuëk
|
Het (!) staart van Gooik: stukje Gooik tussen Woestijnkapel en Neigembos op het einde van de Neerstraat. |
Over alles en nog wat: de naam van straten, gehuchten, velden, bossen, kouters... |
|
‘t vérke van ‘n ouven
|
Het varken van de oven = de ovenkelder. Is “vérke” een vervorming van “fornuis”? |
Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen |
|
‘t verzèèp
|
Het verzijp = het vergiet. Is verwant met “sijpelen” (druppelen). Dezelfde stam zit in “zeiken” en “zijgen”. |
Over (te veel) eten en drinken |
|
‘t vliêgekasken
|
Het vliegenkastje. Eetwaren werden vroeger - bij gebrek aan koelkast - in de kelder bewaard in een kleine kast met schappen en rondom vliegengaas om te beletten dat vliegen (en muizen) erbij zouden kunnen. |
Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen |
|
‘t vliêgplân
|
Het vliegplein = het vliegveld, de luchthaven. |
Over alles en nog wat: wat vaktermen (niet-landbouw)… |
|
‘t vuiruuëd
|
‘t voorhoofd. Zoals in de zin: “aske liêgt, stoeët er e gruuët krèùs op a vuiruuëd” (als je liegt, staat er een groot kruis op je voorhoofd). |
Over ziekte, pijn, gebrek, verzorging en genezing |
|
‘t zâ
|
Het (!) zijde(fabriek) = de zijdefabriek: daar werd de draad gemaakt om kunstzijden stoffen te weven. Fabelta had in de jaren 1950 zo’n fabrieken in Ninove, in Anderlecht en in Tubize. “De zâ” betekent dan “de zijde”, het weefsel of de zijkant. |
Over werken en... nietsdoen |
|
‘t zéft
|
De zeef. |
Landbouw: bodem: landbouwgerief en -werktuigen |
|
‘t zjieël op d’uuëres smèètn
|
Het zeel op de horens smijten = iets opgeven, er het bijltje bij neerleggen. Vermoedelijk uit de tijd toen ossen en koeien als trekdier werden gebruikt. |
Over werken en... nietsdoen |
|
‘t Zjiept
|
Het huis “De Drie-Egypten”. Is het oudste stenen huis van Gooik (1642) gelegen aan de Drie Egyptenbaan. Eertijds afspanning voor reizigers tussen Vlaanderen en Brussel en voor bedevaarders naar de H. Kruiskapel op de Woestijn. “Zjiept” heeft niets te maken met Egypte, noch met“zjiepenéssen” (zigeunerinnen), noch met feeën zoals nogal eens verteld werd. “Zjiept” is de Gooikse uitspraak van “zijp” of “zep”, onze dialectbenaming voor geul. Achter het huis, in het Neigembos, dat daar vlakbij is, zie je een aantal van zo’n geulen, ijstijdrelicten. |
Over alles en nog wat: de benaming van oude Gooikse hoeven en huizen |
|
‘t zoeëklieëd
|
‘t zaaikleed. “De boer zaaide uit een zaaikleed: een grote wit linnen voorschoot waarvan hij het onderste deel om de arm wond, terwijl hij met de andere zaaide.” (P. Lindemans) |
Landbouw: bodem: landbouwgerief en -werktuigen |
|
‘t zoeësel
|
Het zaaisel. In Gooik de benaming voor het zaaigraan en ook voor het veld met pasgezaaid graan. Dat laatste heet ook “ ‘t gezoeëd diengen”. |
Over al wat groeit: granen |