|
‘k moên der ne kieë op slôpen
|
Ik moet er een keer op slapen = ik wil eerst een nacht laten voorbijgaan eer ik een besluit neem. In het Mnl. klonk dat als “slapen op iet”. |
Over verstand en gebrek daaraan |
|
‘k pâzn da ‘k iêt kreig
|
Ik peinsde dat ik iets kreeg = ik dacht dat ik van het schrikken een toeval, een flauwte, een beroerte kreeg. |
Over ziekte, pijn, gebrek, verzorging en genezing |
|
‘k uûr gieë land van em
|
Ik huur geen land van hem = ik ben hem niets verplicht, ik kan vrij handelen. |
Over geld, zakendoen, geluk hebben, armoe en rijkdom |
|
‘k was ter gieë ménsj van
|
Ik was er geen mens van = ik was er kapot van. |
Over goede en slechte manieren |
|
‘k weit er niê mieër van as d’ uûr m’n duuëd
|
Ik weet er niet meer van als de (!) uur van mijn dood = ik weet er echt niets van, dat is mij onbekend. |
Over verstand en gebrek daaraan |
|
‘k zâ (zou) der zuuë opvoeërn
|
Ik zou er zo opvaren = ik zou hem of haar aanvliegen. |
Over kwade buien en karaktertrekken |
|
‘k za da fluis doeng
|
Ik zal dat fluis doen = ik zal dat straks doen. V.D.E.W.: “Fluis komt van fluks (dadelijk) of van de nevenvorm ervan, flus (= zoëven). Fluks: van het Mnl. vloge, vluege, vlooch (= vlucht, snelheid) + s om er een bijwoord van te maken. “Te fluis” betekent dan weer “korte tijd geleden”. Bv.: “gétj da te fluis gezèèd” (je hebt dat toen gezegd). |
Over het weer, de seizoenen, de tijd, de levensloop, de afstand |
|
‘k za de stok (râ) ne kieë op a lanke (ranke) léggen
|
‘k zal de stok (de rei) een keer op uw lanken (ranken) leggen = ik zal je aframmelen, afrossen. Weynen: “lanken betekent flanken. Het Mnl. kende lanke (flank). In het Frans “le flanc” (de flank).” |
Van schuld en boete |
|
‘k za mei aa ba menieër goeën
|
‘k zal met u bij meneer gaan = ik daag je voor de rechter. |
Van schuld en boete |
|
‘k za mei aa ba de zjuûzje, ba de zjuûzjepei goeën
|
‘k zal met u bij de rechter, bij de vrederechter gaan = ik span een rechtszaak in tegen jou. Van het Frans “le juge, le juge de paix” (de rechter, de vrederechter). |
Van schuld en boete |
|
‘k zal aa devui mei de kérmes ne kieë e krôm wèèzn
|
Ik zal u daarvoor met de kermis een keer een kraam wijzen = een grappige manier om iemand te bedanken: je belooft hem een geschenk dat je niets kost. |
Over goede en slechte manieren |
|
‘k zal e goê woureken doeng vui aa
|
Ik zal een goed woordje doen voor u = ik zal je aanbevelen, ik zal voor jou ten beste spreken. |
Over spreken en zwijgen, over klagen en bluffen |
|
‘k zal em ne kieë va kieë goeën
|
Ik zal hem een keer van keer gaan = ik zal hem wel eens aanpakken, hem zijn zaligheid geven, mores leren. |
Van schuld en boete |
|
‘k zal ui moeë ien ui geluuëf loeëtn
|
Ik zal haar maar in haar geloof laten = ik zal haar niet tegenspreken, niet zeggen dat ze zich vergist. |
Over goede en slechte manieren |
|
‘k zég a dadde op ’n ieëweg zwèègen
|
Ik zeg u dat op een eeuwig zwijgen = ik verklap je dat maar ik reken op je |
Over spreken en zwijgen, over klagen en bluffen |
|
‘k ziên ze vliêgen
|
Ik zie ze vliegen = ik heb honger. Oorsprong? |
Over (te veel) eten en drinken |
|
‘k ziet iê uuëg én druûg én vèè va me geluuk
|
Ik zit hier hoog en droog en ver van mijn geluk. Schertsend antwoord van iemand, die ergens bovenop staat, op de vraag “Waar zit je?” |
Over het weer, de seizoenen, de tijd, de levensloop, de afstand |
|
‘k zou m’n and ien ’t viê gestouken émmen vui em
|
Ik zou mijn hand in ‘t vuur gestoken hebben voor hem = ik had het volste vertrouwen in hem. |
Over goede en slechte manieren |
|
‘n akse
|
Een actie = een aandeel op de beurs. In ‘t Frans “une action” (een aandeel). |
Over geld, zakendoen, geluk hebben, armoe en rijkdom |
|
‘n aksiedénteken
|
Een aksidenteke = woord dat aangeeft dat een kind niet op tijd op het toilet geraakte, een ongelukje. Vervorming van het Franse “un accident” (een ongeluk). |
Over ziekte, pijn, gebrek, verzorging en genezing |
|
‘n beis, ‘n bèès geiven
|
Een zoen geven. In het Frans “un baiser” (een zoen). |
Over goede en slechte manieren |
|
‘n béllemiê
|
Een bellemie = een schaap. Eerste lid is “bel”: is het eerste deel van belhamel (eigenlijk: een hamel met een belletje om de hals). Het tweede lid is mogelijk het vleiwoord voor lam: “lémme”. Volksetymologisch is het eerste lid het woord voor het schapengeluid: “bèè”. |
Landbouw: bodem: over vee, veevoeder, zuivelproducten en huisdieren |
|
‘n bemke woeëter
|
Een bodempje water. |
Over (te veel) eten en drinken |
|
‘n bérreken
|
Een berdeken, een plankje, een tegel of een metalen rooster die dienen om hete pannen en ketels op te zetten als ze van het vuur genomen worden. Ook: broodplank. |
Over (te veel) eten en drinken |
|
‘n blét, ‘n belét, blétn
|
Een biljet, biljetten = een formulier, een banknoot. In ‘t Frans “un billet” (een briefje, een biljet). Een “gruuët blét” betekent zowel een groot blad als een briefje van tienduizend. |
Over geld, zakendoen, geluk hebben, armoe en rijkdom |