|
‘n blokduuës
|
Een blokdoos = een houten doosje waarin schoolkinderen vroeger hun schrijfgerief opborgen. Voorloper van het schooletui. |
Over verstand en gebrek daaraan |
|
‘n bodje zétn
|
Een baardje zetten. Spelletje waarbij pa, oom of iemand anders met zijn stekelige baard tegen de wand van een jongen wrijft. |
Over sport, spel en vrijetijdsbesteding |
|
‘n boerken, nen boêrestjieën
|
Een boertje, een boerensteen = een bepaalde soort rode baksteen. |
Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen |
|
‘n bosselken
|
Een bosselke = een bosje. “Bossel” is al een verkleinwoord van “bos”. Vergelijk met “e flésselken” (een flesje). |
Landbouw: bodem: aard, uitzicht, verdeling |
|
‘n bouterlép
|
Een boterlip = een botersnoeper, hij of zij die graag boter eet. |
Over (te veel) eten en drinken |
|
‘n breistuuksken
|
Een braadstukje = een stukje gebraad. |
Over (te veel) eten en drinken |
|
‘n buumken
|
Een boomke. Letterlijk: een kleine boom. De kaartersuitdrukking “ons buumken és bekânst af” betekent: ons spel is bijna gedaan. Bij het begin van het spel tekent één van de spelers op een bierviltje of op een lei een “buumken”. Dat is een verticale lijn waarover een aantal dwarsstrepen. Vandaar de gelijkenis met een boompje. Elke ploeg kiest een helft van het “buumken”. Bij elk gewonnen spel schrapt de winnende ploeg een dwarslijn op zijn helft of veegt op de lei een “meit” weg. Wie een spel verliest nadat hij vooraf gewed had dat hij het zou winnen, krijgt er op zijn helft een kromme streep bij. Net een koeienstaart. Wat dan lachend een “koej” genoemd wordt. |
Over sport, spel en vrijetijdsbesteding |
|
‘n doej
|
Een lege patroonhuls. Van het Franse “la douille” (de huls). Belgische soldaten, ook de Vlaamse, kregen vóór 1930 na de schietoefeningen het bevel: “Ramassez les douilles!” (Raap de lege hulzen op!). |
Over alles en nog wat: wat vaktermen (niet-landbouw)… |
|
‘n dolleken
|
Een dolletje = een spitsmuis; ook als koosnaam: lieveling. Weynen: “... geopperd is dat de benaming van het bijv. naamw. dol stamt, omdat men meende dat de beet van het dier giftig was.” |
Over dieren van bij ons: zoogdieren in het wild |
|
‘n duûvelken
|
Een duivelken = een potkacheltje. |
Landbouw: bodem: gebouwen en voorzieningen |
|
‘n échter
|
Een ekster. |
Over dieren van bij ons: vogels |
|
‘n flasj
|
Een pannenkoek, een flensje. Weynen verwijst naar het 16de-eeuwse Leuvens “pletse” (pannenkoek). Hij vraagt zich af of er verwantschap is met het Latijnse “placenta” en of het een klankschilderend woord is. |
Over (te veel) eten en drinken |
|
‘n galét geiven
|
Een galet geven = een mep geven. “Galet” kan komen van het Belgisch Frans “une galette” (= een platte koek, een scheepsbeschuit). |
Van schuld en boete |
|
‘n gallét goeën
|
Een gallet gaan = een zware val doen. “Gallet” is ontleend aan het Waalse “gaillette”, het verkleinwoord van “gaille” (noot). |
Over gaan en lopen |
|
‘n gallét va nen nuis
|
Een gallet van een neus = een dikke neus. “Gallet” stamt uit het Franse “gaillette” dat Robert als een Waals woord noteert, het verkleinwoord van “gaille” dat noot betekent. (Uit: “Op z’n Asses”.) |
Over kleren, opsmukken en voorkomen |
|
‘n gallét van nen appel
|
Een gallet van een appel = een kanjer van een appel. |
Over al wat groeit: bomen, struiken, vruchten, houtbewerking |
|
‘n gars van e wèèf
|
Een garce van een wijf = een kreng van een vrouw. In ‘t Frans “la garce” (de slet). |
Over kwade buien en karaktertrekken |
|
‘n gérre
|
Een geer = een spits toelopend stuk grond, een spie, een scheef stuk stof, grond, hout... |
Landbouw: bodem: aard, uitzicht, verdeling |
|
‘n groebe
|
Een greppel, een groeve, een dal. Het Mnl. kende “grebbe, grubbe, gruppe, greppe, grippe”. Denk ook aan de groeben in Neigembos (smeltwatergeulen uit de laatste ijstijd) en aan de Groebbestraat (“Bokkenhol”) in Gooik. V.D. kent “groep” in de betekenis van “groeve, greppel” en hij noemt het gewestelijk. |
Landbouw: bodem: aard, uitzicht, verdeling |
|
‘n kampernoelje
|
Een kampernoelie = een weidechampignon, een paddestoel. V.D. citeert: “kampernoelie, kampernoelje: oudt. paddestoel in ‘t algemeen; thans volksnaam voor bepaald soort van eetbare paddestoel (Psalliota campestris).” Van het Oudfranse “champigneul”. In het Mnl. “campernoel, compernoel”. |
Over al wat groeit: onkruid, wilde planten en sierplanten |
|
‘n karekole
|
Een karekol = een wijngaardslak, een oorveeg. V.D.E.W. zegt dat “karekol” voortkomt uit het Luikse dialectwoord “caracole” dat zelf stamt van het Spaanse “caracol” (huisjesslak, wenteltrap) dat dezelfde oorsprong heeft als “escargot”. |
Van schuld en boete |
|
‘n karnasjèèr
|
Een schooltas. Van het Franse “une carnassière” (= weitas, Belgisch Frans woord voor schooltas). Sommigen noemen hun boekentas “m’n kabas”. |
Over verstand en gebrek daaraan |
|
‘n kasj, e kasjken
|
Een keits, een keitsken = een straatje, een voetweg, een wegel. De oorspronkelijke betekenis van keits, kets: weg waarlangs de dieren gedreven worden. Afleiding van “ketsen” (opjagen). “Ketsen” is afgeleid van het Picardisch “cachier” (drijven, leiden). Later werd een “kasj” zowat overal in West-Brabant de benaming van een smalle, al of niet verharde weg. In oude documenten en soms in officiële straatnamen spreekt men van een “keitse”. Over de taalgrens, in Edingen bv., heet zo’n weg “cache”. Voorbeelden van Gooikse “kasjn” en “kasjkes”: de Wolvekasj, de Berrekasj, de Tuuëverkasj... |
Landbouw: bodem: aard, uitzicht, verdeling |
|
‘n keif, e kéfken
|
Een keef, een keefke = een kooi, een kevie, een kooitje. In ‘t Duits “der Käfig” (de kooi). Weynen: “Ontleend aan het Latijnse “cavea” (kooi, holte) dat zelf van “cavas” (hol) komt.” |
Over dieren van bij ons: vogels |
|
‘n kénne
|
Een kan. |
Over (te veel) eten en drinken |